Wouter van Riessen
De kunst van het
verstarren
(É)
al drinkend
aangetrokken door zijn spiegelbeeld
voelt hij begeerte
naar iets lichaamloos: Wat lichaam lijkt is water.
Hij blijft
zichzelf bekijken, onbeweeglijk blijft hij strak.
Uit: Ovidius
Metamorphosen, in de vertaling van M.DÕHane Scheltema[i].
Het zelfportret is
fundament en bouwsteen van het werk van Wouter van Riessen. Op fotoÕs, schilderijen,
prenten en multiples beeldt hij zijn eigen gestalte af. Vaak wordt dit
zelfbeeld geflankeerd door poppen van de een of de andere soort. Op een foto
poseert hij met een vilten Kermit de Kikker op zijn schouder en toont zijn
bolle witte ogen. Op een schilderij wordt een furieuze kop met twee slappe
popjes omlijst. In eerder werk
is het sterk gestileerde portret nog alleen, zoals op het schilderij
ÔZelfportret met ZeepbelÕ.(deze chronologie is er niet - W) Dan duikt Pinokkio op of een buikspreekpop
die het been met een burlesk gebaar in de lucht werpt, alsof hij stiekem trapt
naar de speler.
Het werk van Van
Riessen heeft me verbaasd en ontroert. Er is sprake van een grote ingehouden
spanning achter de beelden, die ik niet onmiddellijk kan verklaren. Daarom
begin ik bij de associaties die het werk oproept. Bij een eerste beschouwing
overheerst het burleske, een associatie die wordt ingegeven door zijn
artistieke liaison met de wereld van stripverhalen en variŽtŽ. Het werk bevat
een licht ironische toets en het lijkt alsof Van Riessen zijn zwakheden en misschien die van
anderen aan de hand van de poppen becommentarieert. Maar het werk heeft ook een
stille en ge•soleerde kant, die soms op de voorgrond treed door de ijzige
perfectie van het beeld, dan weer door verstilde de poses die Van Riessen op de
fotoÕs aanneemt. Op die momenten lijkt zijn werk ongenaakbaar, terwijl een
tragische onderstroom navoelbaar is. Dat roerloze, die stilte, in combinatie
met het onderwerp, zijn eigen gestalte, deed mij naar het mythologisch
woordenboek grijpen om het verhaal van Narcissus te herlezen. Aan de hand van
het Narcissus-motief wil ik laten
zien hoe persoonlijk het werk van Van Riessen kan zijn, maar ook hoe eigentijds
de vraagstelling is die achter zijn werken schuil gaat.
De manier van werken
van Wouter van Riessen wordt door verschillende factoren bepaald en gestuurd.
Er zijn een aantal schilder- en tekenkunstige referenties. Zonder moeite herken
je in sommige werken een fascinatie voor abstracte kunst. ÒEen touch of
Elsworth KellyÓ, droom ik bij het blauw van Zelfportret met zeepbel. De heldere lijn van HergŽ (Mijn referentie
voor de klare lijn is eerder LŽger dan HergŽ -W) is een tweede referentie, maar Van Riessen neemt diens
stilistische vondst niet zomaar over. Wanneer hij zijn werkproces beschrijft,
krijg je eerder de indruk dat hij de heldere lijn voortdurend en opnieuw moet
uitvinden, een Tantaluskwelling. Zijn werk begint bij de tekening. Die wordt
ontleed en uitgekleed. Hij beschrijft hoe hij tekent met stift en typex, of
potlood en gum en de werken vervolgens in de computer bewerkt of machinaal
kopieert en uitvergroot. Hij benadrukt het zoeken naar de juiste de dikte van
de lijn, de verhouding van de vlakken en de nuances van de kleur. En na de
analyse wordt geschilderd of gedrukt.
Op deze manier
ontstaan verschillende soorten werken die als een ketting aaneengeregen zijn.
Soms dient de vorm, dan weer de inhoud als schakel tussen het ene en het andere
werk. Op sommige tekeningen die hij toont, volstaat hij met delen van lijnen
die als geheimzinnige losstaande fragmenten hun verhaal moeten doen. Dan
fotografeert hij een spookje Ð een vaag verhullend beeld, dan maakt hij
een meer dan levensgrote trekpop gezeefdrukt op triplex, vervolgens ontstaan
weer prenten Ð een tijger met mensengezicht. Zowel door zijn analytische
manier van werken, als door de keuze voor het onderwerp, het zelfportret, laat
hij de verschillende middelen, fotografie, acryl op doek, potlood op papier,
computer en grafische technieken, met hun diverse beeldkwaliteiten en
beeldgeschiedenissen in elkaar haken.
EŽn van de
vraagstellingen die uit werkwijze en onderwerpkeuze voortkomt, raakt aan een
klassiek schilderkunstig probleem. Wanneer je iets vastlegt en stileert is dat
een reductie. Je het beperkt het aantal lijnen en kleuren waaruit een
afbeelding bestaat. Dit geldt niet alleen voor de klare lijn die Van Riessen
prefereert, maar voor alle beeldmiddelen, ook voor een film en fotografie.
Vanuit de heldere lijn formuleert Van Riessen de vraag, hoe ver het
destillatieproces kan gaan. Wanneer herken je als toeschouwer in het afgebeelde
de persoonlijkheid van de geportretteerde, wanneer gaan persoonlijkheid en
herkenbaarheid verloren? Op dat moment introduceert hij de pop, waarmee hij
zijn vraagstelling aanscherpt. Bestaat er voor een beeldend kunstenaar een
verschil tussen een tekening van een pop of die van een levend mens? Hij
beantwoordt hij die vraag met de camera. Hij fotografeert zichzelf geflankeerd
door poppen, of als pop. De fotowerken zijn op hun beurt uitgangspunt Žn
resultaat van het creatieve proces. Resultaat in de zin dat hij al schilderend
besloten heeft dat het interessant is om zichzelf als pop of in gezelschap van
poppen af te beelden. Uitgangspunt wanneer hij op grond van deze fotoÕs
voortgaat met het schilderen van zijn portret. Het distilleren van lijnen en
visuele effecten.
Cultuur van het
narcisme
ÒHij blijft zichzelf
bekijken, onbeweeglijk blijft hij strak.Ó Het citaat waarmee dit stuk begint,
is een beschrijving van het moment waarop Narcissus voor het eerst met zijn
spiegelbeeld geconfronteerd wordt. Ook bij van Riessen lijkt een moment van
opperste verbazing te bestaan, alsof hij evenals Narcissus bang is om met een
rimpeling van het water het beeld te verjagen. Maar van Riessen is niet bang.
De primitieve angst voor het spiegelbeeld speelt geen rol[1].
Er is eerder sprake van een obsessie, zo consequent en intensief als hij zich
op de buitenkant richt. In zekere zin gaat het werk van Van Riessen over
presentatie en representatie, waarbij de nadruk komt te liggen op de kunst van
het verstarren. Hij stelt geen directe vragen over de verhouding tussen
werkelijkheid en fictie, maar ÔobjectiveertÕ zichzelf. Van Riessen is lijn en
beeld geworden. Hij streeft een grote zuiverheid na, waardoor het oppervlak van
sommige werken keihard en ondoordringbaar lijkt. In zijn intensieve aandacht
voor het werkproces schuift hij de anekdotische ironie die zijn zelfbeeld bevat
enigszins ter zijde. Zijn manier van werken voorkomt bovendien dat zijn flirt
met het theater tot de gebruikelijke clichŽs leidt, zoals daar zijn ÔLife is a
stageÕ (William Shakespeare), of sociaal gedrag is een maskerade (Ensor). Maar
de spanning blijft. Het werk wordt niet abstract. Ondanks de objectivering
blijft een subjectief element aanwezig.
Het narcissus-motief
is een beladen onderwerp. Het heeft een negatieve klank omdat narcisme staat
voor een pathologische vorm van eigenliefde Žn omdat cultuurfilosofen narcisme
tot een indicatie verhieven van een westerse welvaartsziekte. Met behulp van
een mythe en psychologische inzichten werd een mogelijke maatschappijstructuur
geformuleerd. Christopher Lash beschreef eind jaren 70 in ÔDe Cultuur van het
NarcismeÕ hoe de moderne westerse mens zijn eigenbeeld vormt aan de hand van
blikken van anderen. Hoe daardoor de band met de geschiedenis ontkent wordt en
belangrijke onderdelen van het leven, zoals ziekte en dood, taboe worden
verklaard en naar de achtergrond verdwijnen. Anna Tilroe komt op zijn woorden
terug en schrijft in ÔHet Blinkend Stof.Õ ÒLash wees erop dat deze vorm van
overbewustheid (een indicatie
van het narcisme, S.M.) voortkomt uit onzekerheid over de vraag of iets
werkelijk is of niet en dat die fundamentele twijfel een theatrale benadering
van het leven aanmoedigt.(É). Alles wordt theater luidde zijn voorspelling en
wij allemaal, acteurs en toeschouwers, zullen het gevoel hebben te leven te
midden van spiegels in een schijncultuur.[ii]Ó
Tilroe laat in het midden of de voorspelling van Lash is uitgekomen. Wel
borduurt zij voort op zijn idee‘n en meanderen haar gedachten via bodyculture
(het Amerikaanse levens- en schoonheidsideaal), naar de evenementindustrie en
de vroege formulering van idee‘n over een nieuwe vormen van autarkie die door
nieuwe technische en wetenschappelijke ontwikkelingen, aan het brein van
denkers en idealisten ontsproten. ÒDe capsule als model voor inrichting van
de wereld is in 1969 al beschreven door Kisho Kurokawa, een Japanse architect.
ÒDe capsule is cyborg-architectuur zo stelde hij. (É)Ó. De toekomstige
maatschappij zou moeten bestaan uit onderling onafhankelijke ruimtes bepaald
door de vrije wil van individuen. Elke ruimte zou een onafhankelijk onderkomen
moeten zijn, waarin de bewoner zijn individualiteit ten volle kan ontplooien,
zoÕn ruimte is de capsule.Ó
Vervolgens voegt Tilroe toe: ÒOver de vrije wil van het individu wordt nu in
andere termen gesproken: wij zullen of we willen of niet vooral acteur zijn in
de toekomstige maatschappij[iii].Ó Zo bevestigt zij op haar spirituele reis
door de Verenigde Staten in het eerste hoofdstuk van haar boek, LashÕs
gelijk.
Het is verleidelijk
om de om de interpretatie van Lash door Tilroe rechtstreeks (als een moraal) op
het werk van Van Riessen te projecteren. Maar omdat de directe referentie aan
theater en theatraal gedrag als interpretatiekader voor zijn werk verworpen
werd, is een omweg nodig. Welke visie bepaalt de obsessie van Van Riessen, wat
stuwt het werkproces voort, welke uitspraken doet hij daardoor met zijn werk
behalve schilderkunstige?
De jaren tachtig
en negentig
In zijn keuze voor
het zelfportret schaart Van Riessen zich in een grote reeks jonge en
eigentijdse kunstenaars. De keuze voor het zelf, fysiek Žn overdrachtelijk
lijkt een erfenis van de jaren tachtig en negentig, toen veel kunstenaars, met
name vrouwen, het eigen lichaam centraal gingen stellen in de beeldende kunst
die zij maakten. Het gegeven dat Van Riessen zichzelf in een geconstrueerde
situatie fotografeert, herinnert bijvoorbeeld aan het werk van Cindy Sherman,
maar zijn doelstelling is heel anders.
De introductie van
het lichaam in de beeldende kunst had diverse aspecten. Enerzijds was het een
middel om een nieuwe realiteitsbeleving aan de kunst toe te kennen, zoals in
het vroege werk van Marina Abramovic. Anderzijds werd de weergave van het
lichaam geanalyseerd om cultureel en maatschappelijk bepaalde kenmerken van
gender en identiteit te benoemen en te
ontmaskeren. Het lichaam werd de
focus van het ik: De heilige drie-eenheid van het fysieke, het
persoonlijke Žn het politieke. Op de achtergrond speelde een bevrijdingsideaal:
de emancipatie van de vrouw en later in de jaren negentig de emancipatie van de
multiculturele ander. Het inzoomen op het lichaam als beeldend middel Žn als
ÔtaalÕ leidde tot een scala aan beeldende mogelijkheden vari‘rend van het dagboekachtig
realisme van Nan Golding tot de cultfilms en fotoÕs van Larry Clarck, van
theatrale ensceneringen tot performances. Allemaal vormen van kunst die uitgaan
van de gedachte dat identiteit en werkelijkheid constructies zijn. Deze
gedachte over een geconstrueerde identiteit Žn realiteit werd door filosofie en
kunsttheorie aangestuurd en bevestigd. Op grond van de analyse van taal- en
tekensystemen kwam men tot de conclusie, dat niets kan bestaan buiten een
sociale context. Ook ons denken, doen en waarnemen is volledig door
tekensystemen bepaald. De beelden hebben macht. De vrije wil bestaat niet meer,
luidt de cynische conclusie. Het is de ironie van onze tijd, dat de
emancipatoire idealen na een lange weg hebben geleid tot de opheffing van het
individu en de vrije wil.
Van Riessens keuze
voor het zelfportret staat in deze traditie, maar heeft niets van doen met het
ideaal van zelfverwezenlijking. Er spreekt een merkwaardige berusting, soms ook
zelfgenoegzaamheid uit de beelden. Ook de macht van taal- en tekensystemen, is
slechts zijdelings relevant. Hij concentreert zich als een wetenschapper op het
visuele effect van zijn vormgeving. Hij uit geen maatschappijkritiek en
vertegenwoordigt geen moraal, want ondanks het gegeven dat er zo nu en dan
sprake is van ingehouden woede en
frustratie - de worsteling met de buikspreekpoppen, - de verlangde blik van de
tijger, ligt de nadruk niet op het feit dat de pop een marionet is, die van
buitenaf wordt gehanteerd, maar op een tragisch innerlijk. Hij schept een beeld
dat aan de stomme film herinnert.
ÒHij was een
knappe jongeman. Toen hij de liefde van de nimf Echo afwees, werd hij door de
godin van de liefde (of door Nemesis) bestraft met liefde voor zijn eigen
onbereikbaar spiegelbeeld, dat hij zag in een bron waaruit hij wilde drinken.
Hij greep ernaar er verdronk.Ó
Uit: Mythologisch
woordenboek, Dr. G.J.M. Bartelink[iv]
Bij Van Riessen lijkt
ook een heel ander aspect van de Narcissus -mythe een rol te spelen, een
belangrijk moment in het verhaal dat in het overdrachtelijk gebruik van de
mythe verloren is gegaan en bij herlezing een nieuwe betekenis krijgt, diens
afwijzing van de nimf Echo. Het is een wonderlijke po‘tische kwinkslag in de
Methamorphosen, dat het lot van Echo, dwaze praatgrage nimf[2],
die voortdurend moet herhalen wat haar gesprekspartner zegt, verbonden is met
dat van de man die gedoemd is om ten onder te gaan aan de weerkaatsing van zijn
eigenbeeld. Het moment waarop beide nimfenkinderen elkaar in het bos ontmoeten,
leidt tot fantastische po‘zie.
Echo zit achter de
struiken en probeert met Narcissus te praten. Hij weet niet wat hem te wachten
staat, roept iets naar de onbekende die hij hoort, waar zij onmiddellijk
gebruik van maakt.
(É) Wij samen, antwoordt Echo,
valt dan haar eigen woorden bij en rent
tevoorschijn uit
het bos om dat zo
lang begeerde lichaam te omhelzen.
Hij zet het op een
lopen, schreeuwend, weg die armen nee
nog liever wil ik
sterven dan jij mijn hart mag winnen!
Dat jij mijn hart
mag winnen was haar antwoord, verder niets.
Uit: Ovidius
Metamorphosen, in de vertaling van M.DÕHane Scheltema[v]
Daarna voltrekt zich
het drama. Echo kwijnt weg, alleen haar stem blijft over, en Narcissus ziet
zijn spiegelbeeld en verdrinkt. De klassieke goden wisten mooie cynische
grappen uit te halen.
Door Echo bij het
verhaal te betrekken wordt duidelijk waarom de verdubbelingen van Van Riessen
zo effectief zijn in de tragiek die zij benadrukken. Man en pop zijn niet
zomaar tegenspelers. Zij zijn ŽŽn en dezelfde. Zij hebben een gezamenlijke
bloedbaan, delen ŽŽn zenuwstelsel, delen spierkracht en gedachten. Zij vormen
een gesloten eenheid. Er is sprake van een mogelijke woordenstroom, wellicht wordt
er een dialoog gevoerd, maar de woorden weerkaatsen tegen een blinde muur, de
wand van de huls die beiden omringt. Hier blijkt de lotsverbondenheid van
Narcissus en Echo. De reflectie van het beeld en de weerklank van het woord
verdubbelen de isolatie. De dialoog heeft alle kenmerken van een monologue
interieur, maar zij is krachteloos, geen buitenstaander kan de woorden duiden.
Het is alsof Van Riessen zich van de buitenwereld afwend. Theorie en kennis
worden rabarber, het persoonlijke privŽ. Met deze stilte problematiseert Van
Riessen de monologue interieur. In Van Riessens werk is de stream of consciousness, een paradox. Een paradox die we in alle
heftigheid waarnemen en als tragisch ervaren. De relevantie van wat Van Riessen
doet ligt in het effect: het spreken is onhoorbaar maar aanwezig. Het bevestigt
op navrante manier dat de huls die hij met diverse middelen weergeeft, niet
leeg is. Er leeft iets achter het oppervlak van ieder werk.
Het aardige van dit
samengaan van de onhoorbare, zichzelf herhalende stem en het verdubbelde beeld,
is dat het twee heel verschillende interpretatie mogelijkheden biedt. Enerzijds
een zeer persoonlijke. Dan weerklinkt de stem van het verlangen en is het alsof
Van Riessen zelf gevangen is in zijn zelf.
Anderzijds biedt de
verdubbeling toegang tot een eigentijdse en maatschappelijke visie, die
terugverwijst naar de idee‘n die Anna Tilroe oppert. Ik denk dan niet zozeer
aan haar uitspraak Òwij zullen of we willen of niet vooral acteur zijn in de
toekomstige maatschappijÓ,
dit is een zin die ik niet begrijp, of misschien, in termen van Tilroe, niet
voor waar aan wil nemen, maar blijf steken bij het idee van de capsule. Van
Riessen plaatst de menselijke beleving in een cocon, een capsule. En schildert
de tragiek van de verpletterende isolatie, die gepaard is aan een groot
verlangen om uit te breken en de ander te bereiken, te kennen en gekend te
worden. Hij vertegenwoordigt daarmee een eenzaamheid die veel kunstenaar
tegenwoordig treft. Niet als neoromantische formulering maar als eigentijdse
paradox. Alle theorie en kennis staat de kunstenaar ter beschikking, maar er is
geen samenhang. De mogelijkheid tot communiceren wordt in zekere zin
ontkent.
De idee van een mens
in een capsule, als autarkisch ego, is een van de merkwaardige consequenties
van het denken en doen van deze tijd. Meestal wordt dit beeld heel letterlijk
genomen en gerelateerd aan recente technische en wetenschappelijke
mogelijkheden. Mens in capsule achter de computer, starend, reikhalzend,
terwijl alle functies van de zintuigen door moderne apparatuur zijn vervangen,
sonar, infrarood, stalen en kunststoffen tentakels. Dit beeld wordt opgeroepen
door recente ontwikkelingen in de wetenschap en de techniek en grijpt in op de
werkelijkheidsbeleving. Het lijkt alsof de techniek overal in doordringt. In
het fysieke lichaam, in de natuur en het sociale leven. Niets is meer
natuurlijk, niets is meer eigen, niets is meer echt, alles is cultuur,
getransformeerd door het sociale en de techniek. Maar er is een kern in ons
wezen dat zich tegen deze formulering verzet, wat in veel ziende fictions tot een dwaze verheerlijking van het menszijn
leidt. Ik gebruik dit beeld liever in overdrachtelijke zin.
Je kunt de vraag ook
stellen vanuit een menselijk filosofisch oogpunt. Dan gaat het om de verhouding
tussen het existentieel besef ten opzichte van het besef dat alles wat wij
waarnemen en doen alleen in een sociale context kan bestaan. Ik ben het met
Tilroe een dat er van de Ôvrije wilÕ geen sprake meer is. Maar wat dan wel? Die
vraag houdt veel kunstenaars bezig. Het is ŽŽn van de belangrijke vragen van
dit moment betreft de herdefinitie van ego. Dit zou de drijfveer van Van
Riessen kunnen zijn. Hij beantwoordt haar niet, maar stelt haar wel.
Het werk van Wouter
van Riessen is ontroerend en spannend, omdat het refereert aan een wezenlijke
filosofische vraag en op een eigenwijze manier weerstand biedt. Door zich te
richten op de buitenkant, de capsule of
cocon, wijst hij op de bezieling van de huls. Zo vindt hij de kunst
opnieuw uit als een vorm van modern animisme. Waar het begon met het zelf,
richt hij zich nu op de ander, een dier met een mensengezicht. (Ik heb er
voor gekozen dieren af te gaan beelden om de uitgesprokenheid van hun
uitdrukking en het feit dat ze door de onbenaderbaarheid van hun wezen een
ideaal projectiescherm worden. Het gaat me er niet om een hybride van mens en
dier te scheppen, het ligt echter buiten mijn bereik de dieren geen
zelfportretten te laten zijn. - W) Van 24 mei tot 28 juni toont hij zijn nieuwe werk bij Dirk Vermeulen:
ÒDe tentoonstelling in De Praktijk laat een interessant breekpunt zien tussen
twee groepen werken, die verbonden worden door de menselijke neiging tot
identificatie.Ó meldt het persbericht. De spanning in Van Riessens werk
ontstaat omdat aan de mogelijkheid van een metamorfose refereert, zonder
suggestie van een utopie. Hij doet in zijn werk een beroep op de tragiek van de autarkie, de pop die niet
uit kan breken en geen vlinder wordt. Binnen die huls vind van alles plaats,
wordt kennis verzameld, nagedacht, plezier en verdriet beleeft, de stilte wijst
op het bestaan van een ziel. De klassieke goden Ð met hun perverse gevoel
voor humor - zouden tevreden zijn geweest.
Saskia Monshouwer
[1] Dr. G.J.M. Bartelink verwijst in het Mythologisch Woordenboek voor een verklaring van de Narcissus mythe naar de klassieke antropoloog William Frazer (Hij schreef ondermeer ÔThe golden BoughÕ) ÒVolgens Frazer komt het verhaal voort uit het magisch gevaar dat men loopt, wanneer men zijn eigen gezicht in de spiegel ziet. Ó
[2] Echo was een gezellige praatgrage nimf, die een grote fout beging, toen ze Hera hinderde bij de observatie van haar niet zo trouwe echtgenoot Zeus. Zij werd door Hera bestraft en kon sindsdien alleen maar herhalen wat de ander v——r haar had gezegd.
[3] In haar artikel in Kunstbeeld ÔWouter van Riessen, ode aan de verbeeldingÕ gebruikt Anne Berk dit begrip.Ze werkt de gedacht niet uit. Ze blijft steken in een vorm van magie, de kunst wordt een tovertruck.
[ii] Het Blinkend stof, Anna Tilroe, 2002, Quidero, Amsterdam
pag. 19-20
[iii] Het Blinkend stof, Anna Tilroe, 2002, Quidero, Amsterdam
(pag. 27)
[iv] Mythologisch woordenboek, Dr. G.J.M. Bartelink[iv]. 1969, Het Spektrum
(pag. 166)
[v] Ovidius Metamorphosen, in de vertaling van M.DÕHane Scheltema, 1998, Atheneum, Polak & Van Gennep, Amsterdam (boek III, vers 387-392)
[vii] Wouter van Riessen, ode aan de verbeelding, Anne Berk, in Kunstbeeld, nr. 12. 2002/2003, pag. 18-20