Over een schepper en zijn schepsels
Wouter van Riessen is een meester in het op de spits drijven
van de spanning tussen het afbeelden van poppen en het afbeelden van mensen. In
verschillende fotoseries waarin de kunstenaar te zien is met allerlei maskers
voor zijn gezicht, lijkt de overgang tussen mens en pop ongrijpbaar te worden.
En een schilderij uit 2005, een (zelf)portret van een poppenspeler die op zijn
beurt een (zelf)portret als Pinokkio op zijn schoot heeft, is niet alleen een even speelse als verontrustende
verwijzing naar de klassieke
Òpi‘taÓ zoals we die uit de kunstgeschiedenis kennen, maar vooral ook een
boeiend spel met allerlei over elkaar heen buitelende referenties met
betrekking tot de representatie van de mens en zijn poppen.
Dat de Pinokkio-figuur zo vaak opduikt in Van Riessens werk
is niet verwonderlijk. CollodiÕs verhaal van de pop-die-mens-werd sluit immers
perfect aan op Van Riessens fascinatie voor de mens in relatie tot poppen en
het popachtige. Het idee dat een pop zich menselijker dan een mens kan
voordoen, terwijl een mens zich op zijn beurt als een pop kan manifesteren, is
in deze werken voortdurend aanwezig.
Saillant is bij een nadere beschouwing van Van RiessenÕs Pinokkio-werken
ook de wetenschap dat PinokkioÕs almaar langer wordende neus het gevolg is van de opeenvolgende leugens waaraan
de pop, die zich als mens vermomt, zich schuldig maakt.
Aan de andere kant is Pinokkio met zijn herkenbare lange
neus ook een dankbare iconologische referentie, een roman- en tekenfilmheld
die als onderdeel van onze beeldcultuur onuitwisbaar in ons collectieve
geheugen gegrift staat. Van Riessen gebruikt die iconologische referenties
steeds vaker als een beeldende strategie in zijn werk. Zo zal de eerder
genoemde poppenspeler met Pinokkio op schoot door de meeste toeschouwers meteen
in verband gebracht worden met het klassieke kunsthistorische pi‘tatafereel
waarmee het een beeldrijm vormt: de heilige Maria met de dode Christusfiguur in
haar armen. Het is een tafereel dat in de Westerse kunstgeschiedenis talloze
malen verbeeld is.
Maar ook in de recente grafische werken van Van Riessen zijn
iconologische verwijzingen aanwezig en vermoedt de toeschouwer regelmatig de
visuele echo van beelden uit de kunstgeschiedenis. Opvallend is dat het bij die
beelden steeds om bijbelse taferelen lijkt te gaan, meer in het bijzonder om
taferelen waarin de Christusfiguur een belangrijke rol speelt. Het werk met de
titel ÒBespottingÓ bijvoorbeeld, gaat onmiskenbaar terug op oudere
voorstellingen waarin de bespotting van Jezus het onderwerp is. En het
ÒZelfportret met pop IIÓ is niet alleen in algemene zin een mooie Riesseniaanse
variant op de ontelbare madonna-met-kind voorstellingen die de
kunstgeschiedenis rijk is. De typische vorm van het kind op de arm van de
Pinokkio-figuur is onmiskenbaar de iconologische echo van een heel specifiek
kunsthistorische voorbeeld, ook al is het niet gemakkelijk om dat voorbeeld
meteen ondubbelzinnig aan te wijzen.
Omdat Petrus op een dag vanwege een griepje het bed moest
houden had Jezus zijn plaats ingenomen aan de hemelpoort. Er werd
aangeklopt en Jezus zag dat er een
oude man voor de poort stond. ÒWie ben je?Ó vroeg Jezus en de oude man
antwoordde: Òik ben maar een eenvoudige
timmerman, maar mijn zoon is wereldberoemdÓ.ÒÉVader..!Ó riep Jezus blij
verrast, waarop de oude man verheugd uitriep: Ò..Pinokkio..!Ó.
Deze anekdote maakt op humoristische wijze duidelijk hoe
dicht de Christusfiguur en Pinokkio elkaar in de wereld van de verbeelding
kunnen naderen. Aan de ene kant Jezus, de god die mens werd, en aan de andere
kant Pinokkio, de pop die mens werd en als protagonist in Van Riessens
schilderijen en grafiek opduikt. Zoals de mens de themaÕs van de liefde en het
lijden geprojecteerd heeft in de figuur van Christus, zo hebben de poppen in
het werk van Wouter van Riessen ook een rol als liefdes- en lijdensvangers.
Waar de maskerades en de poppen in het beeld de fysionomie van Pinokkio
benaderen, herinnert de lange neus ons bovendien steeds aan het bestaan van de
leugen. De leugen die door de eeuwen heen onze cultuur mee getekend heeft,
bijvoorbeeld in de verhalen over het lijden en verlossing van Christus en die
over de pop Pinokkio, maar die ook in het beeldend werk van Wouter van Riessen
voelbaar wordt als een verwijzing naar en een commentaar op een cultuur die bij
uitstek een beeldcultuur is en gebukt gaat onder een overdreven fixatie op de
buitenkant van de dingen. Het moet een enorme opgave zijn om je als beeldend
kunstenaar tot die cultuur te verhouden.
En zoals de Christusfiguur voortdurend oscilleert tussen
zijn goddelijke en zijn menselijke statuur, zo draait het in de werken van Van
Riessen steeds opnieuw om het heen en weer bewegen tussen het pop- en het
menszijn, om het voelbaar maken van de spanning tussen de schepper en zijn
creatie, het schepsel. Die spanning bereikt een fascinerend hoogtepunt op het
moment dat de eerste zijn controle over de laatste lijkt te verliezen, zoals in
het werk met de titel Òzelfportret met buikspreekpop 2Ó, waarop we zien hoe een
venijnig ogende, opstandige buikspreekpop in een worsteling verwikkeld lijkt te
zijn met zijn ÔbaasÕ, de poppenspeler. Het is een mooie metafoor voor de
worsteling van de kunstenaar met zijn kunstwerk, maar ook voor de worsteling
van de toeschouwer met het beeld. En het is een grote verdienste van Van
Riessen dat hij, door de archetypische beelden in de hoofden van de toeschouwer
aan zijn palet toe te voegen en vervolgens in zijn werken te mobiliseren, die
worsteling tot een ongekend fascinerende artistieke ervaring maakt.
Stijn Huijts